Papoea Vrijwilligers Korps (PVK)
Papoea Vrijwilligers Korps
Herinneringen van de S 4.
door J. H. Rooseboom, kapitein ter zee (A) b.d.

Inleiding.
Gedurende korte tijd heeft de Nederlandse Krijgsmacht een uniek vijfde onderdeel gekend en wel het Papoea Vrijwilligers Korps (PVK) in Nederlands Nieuw-Guinea (voor de duidelijkheid: het vierde onderdeel was en is het Korps Mobiele Colonnes).
Jarenlang was er politiek en bestuurlijk gekrakeel geweest over het al dan niet oprichten van zo'n korps. Een parlementaire missie bracht in 1953 na haar bezoek aan Nederlands Nieuw-Guinea verslag uit, een tweede missie deed hetzelfde in 1957 (de derde vergeet ik maar even), enige oriëntatiebezoeken door officieren van het Korps Mariniers werden gebracht aan het door officieren en onderofficieren van het Australische leger geleide Pacific Islands Regiment in Australisch Nieuw-Guinea, terwijl de politieke partijen in de Tweede Kamer der Staten Generaal het oneens bleven over organisatiestructuur en doelstellingen van een eventueel op te richten korps.
Toen bleek dat Indonesië tot grotere militaire operaties in staat was, kwam er al snel de noodzaak boven de Nederlandse strijdkrachten te versterken en dan tevens de bevolking van papoea's gelegenheid te geven deel te nemen aan de verdediging van hun land. Een memorandum van Gouverneur Platteel en vooral een uitgebreide rapportage over taken, opleiding, personeel, materieel en raming van kosten van het gewenste korps, van de hand van de aangewezen commandant van dat korps, Kolonel der Mariniers W.A. van Heuven, hebben zeker bijgedragen tot een versnelde oprichting.
Op gemeenschappelijke voordracht van de staatssecretaris van binnenlandse zaken (Th.H. Bot) en de minister van defensie (S. Visser) werd kort daarna de oprichting een feit door vaststelling bij Koninklijk Besluit van 23 februari 1961 no. 62.
Voorbereiding.
De aangewezen commandant en zijn S4 kregen zomer 1960 kantoorruimte op het ministerie van binnenlandse zaken, directie Nederlands Nieuw-Guinea op het Plein te 's Gravenhage en begonnen daarwerkelijk hun toch wel omvangrijke taak met het organiseren van enig schrijfgerei.
Nu de oprichting van het PVK op dat moment weinig meer in de weg zou kunnen staan, moest eerst en vooral in hoog tempo vanuit Nederland worden gezorgd voor de inrichting van de kazerne te Manokwari met inventaris, verbruiksgoederen, kleding, garageuitrusting, wapens en munitie enz.
Gekozen werd voor een bevoorrading via de Koninklijke Marine, welk krijgsmachtdeel immers al tijden lang een 'route' daarvoor had naar Nederlands Nieuw-Guinea. Bleek dit krijgsmachtdeel zeer bereidwillig mee te werken met de aanschaf van artikelen uit PVK?fondsen en de verscheping daarna, het wilde wel tevoren duidelijk gespecificeerde aanvraagformulieren, compleet met codenummers.
Dat betekende voor scribent nauwkeurig bepalen welke artikelen en in welke aantallen in de nieuwe kazerne nodig zouden zijn.
Hoedpluimen, schoolborden, pompstokken voor pistool en UZI, handgranaten, dieselaggregaten, 12 voertuigen, vleeshaken en zo meer. Een hels karwei voor één man, dat alleen al wekenlang overwerk vergde.
Veel gerezen vragen moesten intussen vlot en met gewoon verstand worden beantwoord en vertaald in materieel en rechtspositionele regelingen. Hoe schaf je in Nederland een koel/vriescel aan ter inbouw in de rimboe? Hoe schaal je qua bezoldiging een sergeant le klasse van de Koninklijke Landmacht in (PVK had geïntegreerd kader), als de Koninklijke Marine (de salarisverstrekker) die rang niet kent? Wat moeten de papoeasoldaten eten, hoe ziet hun uniform er precies uit, en van welke stof wordt die gemaakt?

Een overzicht van kazerne ARFAI
Voeding en Kleding.
Om de terugkeer van de soldaten naar de kampong na volbrachte diensttijd van 3 jaar niet te bemoeilijken, werd gekozen voor een zeer eenvoudig, doch voedzaam menu, waarvan rijst, groente, lombok en vis hoofdbestanddelen waren. Om de juiste hoeveelheden voedingsmiddelen dagelijks te kunnen verstrekken aan de keuken, maar ook in bulk aan te vragen bij de centrale magazijnen der Koninklijke Marine op Biak, werd onderzoek gedaan in expeditieverslagen in de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage. Ook de ontvangen menu-samenstelling bij de Algemene Politie in NNG en die van de 'koelie-rantsoenen' der Koninklijke Marine, waaruit duidelijk bleek wat en waar locaal te koop zou zijn, speelde mee bij het vaststellen van het 'voedingstarief' voor de PVK-soldaten. Toch waren we later niet verbaasd als 's avonds ergens op het kazerneterrein eens een klein kookvuurtje was te zien; een slang of ander beest werd dan als extra smakelijk hapje toebereid.
Een bezoekende antropoloog verklaarde overigens later, dat door deze juiste voeding, de militaire training en goede medische verzorging een welhaast geheel nieuw papoea-ras was 'gekweekt'.
Glanzende huid, malariavrij en geen stokkige benen meer. Zij tenslotte nog vermeld dat de gevechtsrantsoenen niet geliefd waren. De soldaten namen op patrouilletochten op de man rijst, zout, lombok en sagokoeken mee en konden dan enige dagen zonder aanvoer in het oerwoud vertoeven.
Bij de keuze van het uniform en de op de man te dragen uitrusting werd uitgegaan van de geheel eigen karaktereigenschappen van de toekomstige papoea-militair en de eigen militaire doelstellingen van het korps. (langdurige patrouilles in zwaar terrein, jungle-fighting enz).
Op grond van doelmatigheid en aan te kweken saamhorigheiden zouden naast de papoeavrijwilligers ook de bij het korps ingedeelde Europese officieren en onderofficieren dezelfde uniform moeten dragen. Het was voor mij als toenmalig Luitenant ter zee (A) le kl, vers getooid met 1 balk en 1 ster op beide schouders, wel even schrikken om aangesproken te worden met 'majoor'.
Aangezien de papoea voelt voor kleur en ceremonieel en zeer teleurgesteld zou zijn als zijn eigen korps niet de gelegenheid kreeg zich op waardige wijze te vertonen, werd, teneinde besparend te werken, een uniform ontworpen, hetwelk zowel geschikt zou zijn voor patrouillegang als voor het dragen bij ceremoniële diensten en passagieren. De minst in gebruik zijnde uniform kon daartoe worden voorzien van koperen afneembare knopen, ponceau-rode schouderbedekkingen, een rode sjerp om het middel (warm), fluitkoord en een zwarte koppel met koperen koppelplaat met korpsembleem, waarbij ook nog de junglecap vervangen werd door een hoed, links opgeslagen, ook voorzien van korpsembleem en rode band en zwarte pluim.
Op het embleem van het korps was de afbeelding zichtbaar van een typisch inheemse vogel, de casuaris: dit dier munt uit door agressiviteit, kracht en uithoudingsvermogen. Twee gekruiste kapmessen en het 'devies' van het korps, te weten PERSEVERO (ik zet door, blijf standvastig) completeerden het embleem. Toen de fabrikant van de emblemen mij indertijd vroeg hoe precies zo'n loopvogel eruit zag, moest ik overigens zijn tekenaar naar de dierentuin verwijzen.
Bij de keuze van de stof voor de uniform speelde mee een minimum aan gewicht, goede camouflagekleur, soepel en glad aanvoelen en de maximale bescherming tegen insecten. Al snel werd besloten dezelfde groen katoenen stof te gebruiken, als welke werd verwerkt in de mariniersgevechtskleding, een stof welke aan de meeste der gestelde eisen voldeed. Ook de mariniersveldschoen, stevig en bestand tegen ruw terrein, werd overgenomen. Wel een dwaas gezicht hoe bij de eerste opleiding der soldaten velen van hen maar moeizaam voortstrompelden, gewend als ze waren aan blote voeten.
Kampement.
De geprojecteerde kazerne, "ARFAI" genaamd, werd gebouwd naar richtlijnen van het Gouvernement: zeer eenvoudig van opzet met simpel bouwmateriaal verwerkt in open bouw. De gekozen plek buiten Manokwari, 17 km. vanaf de plaats zelf, was ideaal gelegen aan zee tegen hellend terrein. Een centraal gelegen exercitieterrein werd omzoomd door barakken, kantine, ziekenboeg, stafgebouw en overige dienstgebouwen. De logische omzetting van de wapenkamer naar een plek naast het wachtgebouw kon nog
vanuit Nederland worden geïnitieerd. De watervoorziening geschiedde d.m.v. een reservoir hoog boven de kazerne, hetwelk regelmatig werd gevuld met behulp van een beneden gelegen waterpomp. Paniek ontstond later bijna toen de pomp het liet afweten en improviserend in enige uren tijds een VW-ruilmotor moest worden pas gemaakt. Drie stuks dieselaggregaten, waarvan één continu in vol bedrijf, zorgden voor de energievoorziening.
Vier dienstwoningen voor commandant en enige officieren en hun gezinnen kwamen eveneens binnen het kampement te liggen. Dat daar wonenende kader was daardoor zonder onderbreking ter beschikking van eventuele moeilijkheden. De overige gezinnen van het Europese kader betrokken eigen PVK-woningen in Manokwari zelf (29 stuks), aangezien anders een soort dorp nabij het kampement zou ontstaan, hetgeen zeker niet de bedoeling was.
Overige zaken.
In de toegeschoven ruimte voor dit artikel moet ik me sterk beperken tot wat hoofdpunten die me na 25 jaar nog helder voor de geest staan en die ik zelf heb beleefd. Zo zal ik zeker niet ingaan op de gehouden operaties in de verschillende gebieden in Nederlands Nieuw-Guinea. Die inzet vond op verscheidene manieren plaats, soms op kleine schaal toegevoegd aan marinierseenheden, soms zelfstandig in eigen pelotonsverband. De kolonel der mariniers b.d. G.K.R. de Roos heeft in zijn boek "Nieuw-Guinea, de marinierskant van het verhaal" enige aandacht besteed aan de krijgsverrichtingen van het PVK.
De benodigde recruten van het korps moesten uit geheel Nederlands Nieuw-Guinea komen, waartoe iedere onderafdeling een zeker aantal moest leveren. Dit geschiedde naar rato van het aantal dorpsscholen en inwoners. De belangstelling was groot, zodat een goede selectie mogelijk bleek. Bij de eerste kleine selectie in maart 1961 werden 20 papoea's gerecruteerd. Zij werden in opleiding genomen als o.m. chauffeur, kok en pionier. De eerste opleiding van de overige vrijwilligers zou november 1961 van start gaan.
In dit korte opstel kan ik ook niet ingaan op de militaire organisatie van het korps. De belangstellende lezer kent zo'n organisatie wel. Stafcompagnie, opleidings- en operatieve compagnie, pelotons en ploegen.
Een vrij normaal beeld dus.
Voor hen die speciaal geïnteresseerd zijn in de bewapening van het korps volgen hier de aantallen wapens, overgenomen bij commando- overdracht door de Indonesische TNI:
Machinegeweer "CETME"        13 stuks;
Mauser karabijnen van 7,62 mm    516 stuks;
Pistool Browning nr. 6 van 9 mm    15 stuks;
Machinepistolen van 9 mm UZI    129 stuks;
KSO geweren van 5,6 mm        8 stuks.
Voorts grote hoeveelheden handgranaten, munitie, kapmessen, donderslagen enz. en de gebruikelijke volledige uitrusting van de wapenkamer.
De eenvoudige bewapening, hiervoor af te lezen, heeft goed voldaan, zulks in samenhang met het feit dat de papoea het besluipen en overvallen, het leggen van hinderlagen en veel andere essentiële onderdelen van de jungle-krijg ten dele reeds kende.
Van de eigen en aangeleerde vaardigheden van de PVK-soldaat werd dan ook met graagte gebruik gemaakt door de andere krijgsmachtdelen in NNG.
De bij het korps gedetacheerde Europese beroepsmilitairen van de Koninklijke marine, landmacht en luchtmacht (gelukkig véél marinierskader) konden in den beginne nog nauwelijks als 'het' kader van het PVK worden beschouwd. De haast spreekwoordelijke gezonde rivaliteit tussen de krijgsmachtdelen met eigen gewoontes, eigenaardigheden en zelfs formulieren en de verscheidene individualisten met verschillende achtergrond gaf in aanvang wat bedenkingen.
Stel u voor - ik noem er maar een paar - ; een commandoluitenant, een kapiteinKLU met Korea-ervaring, een sergeant-majoor der mariniers, Ridder MWO, een sergeant-marinier met de Sterrengebergte-expeditie als ervaring, allen al met reeds grondig ingeslepen militaire kennis.
Opstellen voor een cerimoniele gebeurtenis
Zij moesten nu samen een nieuwe traditie trachten op te bouwen
bij een korps van papoea-soldaten, een korps dat al vlug de belangstelling wekte van de buitenwacht. Men kwam speciaal kijken; drommen is sterk overdreven, maar velen waren het wel. Staatssecretarissen, Gouverneur, militaire autoriteiten, antropologen, bestuursambtenaren, noem maar op. Dat er na zo'n korte tijd al een goed 'product' getoond kon worden was toch wel te danken aan de grote inzet onder wat primitieve omstandigheden van de commandant en zijn vanuit de Nederlandse krijgsmacht gedetacheerde kader.
De voertaal in het korps was Nederlands, maar veel moest nog in het Maleis gebeuren. Het merendeel van het Europese kader was het Maleis echter niet machtig en vele papoea's verstonden geen Nederlands, soms zelfs geen Maleis. Als onderdeel van de maatschappelijke vorming werd aan het taalprobleem wat gedaan door een in PVK-uniform gestoken burgeronderwijzer, terwijl een pas afgestudeerde papoea predikant van het zendings-seminarie en vooral ook een acht papoea-talen sprekende pater Augustijn met jarenlange Nieuw-Guinea ervaring vraagbaak bleken bij de kennis van het leven der vele papoea-stammen.
In eventuele militair-strafrechtelijke berechting van een PVKmilitair werd voorzien door schrijver dezes te benoemen als lid bij de Krijgsraad te Velde voor de Koninklijke Landmacht Nederlands Nieuw-Guinea. Een marineofficier als lid van een landmachtkrijgsraad! Gelukkig heeft men nimmer een beroep op mijn adviserende stem hoeven doen.
Een speciale periode brak aan voor het PVK toen, zonder dat er formeel oorlog was tussen Nederland en Indonesië, honderden door de Nederlandse strijdkrachten opgespoorde Indonesische'infiltranten' moesten worden ondergebracht en bewaakt. Ongeveer 100 man werden aan PVK toevertrouwd, waartoe het Gouvernement in 3 dagen tijds een gevangenkamp bouwde op het kazerneterrein ARFAI, compleet met dubbele prikkeldraadomheining, wachttoren, zoeklichten en onderkomens. Binnenbewaking geschiedde door de Algemene Politie (het waren immers geen 'krijgsgevangenen'), de buitenbewaking door het PVK.
De Indonesiërs werden tijdens de werkuren overdag onder bewaking grootschalig ingezet bij onderhoud van het kazerneterrein; dat was nog nooit zo opgeruimd en onkruidvrij geweest!
Van de aanmaak van een ontworpen en reeds goedgekeurd Korpsvaandel werd begrijpelijkerwijs maar afgezien.
Een triest einde.
Nadat de Nederlandse Regering onder toenemende nationale en internationale druk de op zelfstandigheid en zelfbeschikking voor de papoea's gerichte politiek opgaf, werd op basis van het zogenaamde plan-Bunker op 15 augustus 1962 in New York een overeenkomst gesloten tussen Nederland en Indonesië. De wapenstilstand ging, meen ik, 18 augustus in.
De overeenkomst voorzag in overgangsbewind door de Verenigde Naties (VN). Deze United Nations Temporary Executive Authority (UNTEA) diende het gezag over Nieuw Guinea over te dragen aan Indonesië en voerde het tussenbewind vanaf 1 oktober 1962 tot 1 mei 1963. Het handhaven van orde en rust bleef primair een taak van de Algemene Politie, terwijl een kleine 1600 man sterke Security Force (UNSF), nagenoeg geheel geleverd door Pakistan, ter beschikking werd gesteld van de UN Administrator.
Het PVK werd 1 oktober opgeheven als onderdeel van de krijgsmacht van het Koninkrijk en ook ondergebracht bij de VN.

Er werd op voorstel van de Gouverneur wel verder gegaan met de werving en opkomst van de tweede lichting, waarmede evenwel geen verbintenis werd aangegaan. Het PVK telde toen een 450 man, waaronder ook korporaals en zelfs sergeanten.
Een aantal voertuigen werd wit gespoten, voorzien van grote letters UN en het kader kreeg de opdracht de verstrekte blauwe VNbadge op de bovenmouw van het uniform te dragen. Papoea-vrijwilligers die niet onder de VN of later Indonesië wilden dienen, kregen de gelegenheid hun verband te beëindigen, waarvan maar slechts een klein gedeelte gebruik maakte.
Op 12 oktober telde het Europese kader 11 officieren en 26 onderofficieren, waarvan 6 resp. 13 man behoorden tot de oude garde.
De overigen waren, ter vervanging van de gerepatriëerde kaderleden, voor een VN-verband van 3 maanden gerecruteerd uit elders in Nieuw Guinea gelegerde delen van de Nederlandse Krijgsmacht. Als schamele pleister op de wond leverde dat verband voor het gehele kader een verdubbeling van salaris op; de VN betaalde maandelijks hetzelfde bedrag als het kaderlid normaal verdiende. Ik heb nooit van iemand gehoord dat dit een motief voor bijtekenen zou zijn geweest.
Na het repatriëren van de mariniers uit de marinierskazerne te Manokwari, waarmede overigens altijd een goede samenwerking en verstandhouding was geweest, werd de bewaking van die kazerne tijdelijk overgenomen door het PVK, totdat Pakistaanse troepen dat weer overnamen.
Op 21 december 1962 werden 5 Nederlandse officieren en 9 onderofficieren door Indonesische militairen vervangen. Op de overdrachtsformulieren van de gehele kazerne-inventaris ontwaarde je namen als Supriatna, Mardjono, Soemardjo en Hernandi; Maleise instructiecommando's waren te horen op het exercitieterrein.
Een leuke en dankbare tijd was voorbij.
Een vechtpartij op grote schaal tussen PVK- en Indonesische militairen, waarbij zelfs een aantal stevige koperen koppelplaten van onze mensen werden verbogen door het slaan met de koppel, duidde ook al niet op een zonnige samenwerking met de inwoners van Indonesië.
Op 31 januari 1963 nam de Indonesische Majoor Ramly het commando over het PVK over van kolonel van Heuven. Met de kolonel verlieten de laatste Nederlandse kaderleden daarna het land.
Indonesië was op meerdere gronden niet van plan het PVK als eenheid te handhaven, maar was wel bereid individueel leden van het korps op te nemen in het eigen leger of de politie. Mij is niet bekend hoeveel papoea's hiervan gebruik hebben gemaakt.
Een mooie tijd was droevig afgesloten. De papoea's waren gedoemd om, alleen al door de getalsovermacht, als derderangs burgers van Indonesië te worden geabsorbeerd. Einde

Uit: Mariniers Museum Rotterdam, 2e museumbrochure Nederlands Nieuw-Guinea 1950 - 1962 (George Visser)