De Tabinta.
Al enkele uren na ons vertrek deed de COT (Commanderend Officier Troepen), een landmachtofficier, van zich spreken. Hij eiste van iedereen een z.g. 'zindelijkheids-inspectie' om vast te stellen of er mogelijk ook geslachtsziekten aan boord gebracht waren. Ondanks alle protesten van de gehuwden, die nog maar net afscheid hadden genomen van hun families, stond hij er op dat de inspectie voor iedereen zou gelden. Onder aanvoering van Majoor Pronk werd - zij het morrend -hieraan gevolg gegeven. De enige, die vrijgesteld werd, was Siebe van der Zee, toen nog een jonge radioverslaggever (later een invloedrijk man bij de AVRO), die een deel van onze reis als KL-officier van speciale diensten meemaakte. Gedurende onze reis maakte hij de reportages voor het thuisfront en met zijn hulp werd aan boord ook een verzoekplatenprogramma in het leven geroepen. Een enkele gelukkige kon met zijn medewerking vanuit volle zee naar zijn huis in Nederland bellen, wat in die tijd iets heel bijzonders was.
De lange reis met de Tabinta had voor ons allen een heel goede kant. Begonnen als een bijelkaar geraapte groep van individuen werden we gedurende die zes weken toch een echte eenheid: we leerden elkaar kennen, we raakten gewend aan elkaars stemmingen en nukken en leerden begrip voor elkaar op te brengen.
Overigens leken de dagen aan boord allemaal erg veel op elkaar met de ochtendgymnastiek, de vele corvee-diensten en schoonschip en de lessen en oefeningen, waarvan een belangrijk deel ook bedoeld was om voldoende informatie te geven over land en volk van Nieuw-Guinea.
Toch waren er enkele hoogtepunten, die in dit verband het vermelden waard zijn. Al vrij spoedig raakten we in de Golf van Biskaje in harde wind; het werd zelfs stormachtig met alle menselijke gevolgen van dien. Kernachtige uitspraak van een wat groen uitgeslagen Majoor Pronk vanuit zijn kooi tot zijn OCC: "Spanjer, het is nóóóódweer!"
In Port Said de bekende taferelen van kooplieden langszij en geldduikers in hun kleine bootjes. Er waren ook kooplui, die met zeer suggestieve gebaren "Spaanse Vlieg" aanboden, waarop een marinier hen uitnodigde om het op de terugweg nog eens te proberen. En dan natuurlijk het passeren van de evenaar met het bezoek van Neptunus en de zijnen. Onze onvergetelijke chef d'equipage, Sergeant Majoor Rentmeester, gesteund door de Sergeanten van der Vlis en Briaire, deed zijn best om al die 'baroes' op gepaste wijze over de streep te brengen. Het feest werd besloten met het bekende boegspriet-kussengevecht, waarbij ook - in het kader van de oecomene - Ds. Jalink en Pater van Hout tegen elkaar uitkwamen. Dat de pater het met een rechtse kussenzwaai won was niet belangrijk (hij was ook een stuk jonger!).
Op 18 oktober was het dan zover dat we de Humboldtbaai bij Hollandia binnenvoeren. Aan de steiger werden we verwelkomd door de Commandant Marine, Kltz. van de Schatte Olivier en Overste Nass, die ons toekomstig onderkomen had voorbereid. Het uitladen van alle meegebrachte voorraden en materieel begon bijna onmiddellijk en duurde enkele dagen. Voor dit doel waren ook een aantal papua's ingehuurd, die al spoedig door hadden welke kratten of dozen gevuld waren met 'pijpjes bier' en hoe daar mee te handelen: even laten vallen op een hoek .... en het bier kwam er vanzelf uit! En daar wisten ze wel weg mee.